programma

Donderdag 5 oktober 2017

ARCADI VOLODOS PIANO

De Russische pianist Arcadi Volodos studeerde in eerste instantie zang, net als zijn ouders, en pas rond zijn vijftiende begon hij serieus met piano studeren. Zijn eerste cd kwam in 1997 uit en bevatte virtuoze arrangementen voor piano, waarvan er verschillende van zijn eigen hand waren. Sindsdien heeft Volodos het imago van een supervirtuoos vergelijkbaar met dat van Vladimir Horowitz en geeft hij regelmatig recitals op alle grote concertpodia, waaronder het Concertgebouw in Amsterdam en het Gewandhaus in Leipzig. Inmiddels is hij tot een dusdanige hoogte gestegen dat eigenlijk niemand meer opkijkt van recensies met koppen als ‘Meesterpianist Volodos verbluft met superieure toetsbehandeling’ (Volkskrant, 10 Maart 2015). Vrij bijzonder is dat zijn eigen arrangementen ook veel door andere pianisten gespeeld worden, iets wat vooral op Youtube duidelijk te zien is.

Volodos heeft zich echter sindsdien losgemaakt van het imago van een pianist die alleen maar virtuoos vuurwerk produceert, en laat in dit programma ook zijn andere kant zien. De Sonate in A groot van Schubert is een van de laatste stukken die de componist schreef voordat hij in 1828 overleed. Het is een uitdaging voor iedere pianist, vooral vanwege de muzikale eisen die er gesteld worden. Na het eerste deel, dat het midden houdt tussen krachtige akkoorden en zachte passages die twijfel uitdrukken, volgt een uiterst subtiel en tragisch tweede deel dat iedereen nog lang zal nablijven. Het derde deel is een lichtvoetiger scherzo, en het vierde deel verwijst op verschillende manieren terug naar het eerste deel, en creëert een enorme spanningsboog.

Drie jaar nadat Schubert zijn laatste pianosonates schreef, publiceerde Schumann een van zijn eerste stukken, een werk met de titel Papillons. Het is eigenlijk een suite, bestaand uit een serie korte stukjes die verschillende karakters uitbeelden. Anders dan in zijn Carnaval, dat Schumann enkele jaren later componeerde, hebben de individuele stukken geen titels, en de luisteraar (en de pianist!) wordt haast uitgenodigd om ze zelf te verzinnen.

Men kan stellen dat Johannes Brahms (1833–1897) weinig inleiding behoeft. Meester der symfonie en sonate, inspiratie voor generaties na hem en een invloedrijk musicus die tot de dag van vandaag nog rimpels in het muzikale landschap veroorzaakt. Al op vroege leeftijd maakte hij kennis met muziek, wellicht vanwege zijn vader die ook musicus was. Op zevenjarige leeftijd kreeg hij zijn eerste pianolessen en tijdens zijn tienerjaren al deelde hij zijn inkomsten met het gezin om ademruimte te bieden aan zijn relatief arme, ouderlijke huis. Zijn acht Klavierstücke, 4 Cappricio’s en 4 Intermezzi, zijn de eerste in een reeks miniatuur-werken van de componist die breekt met zijn gebruikelijke, lijvige repertoire.

Ondanks de kleinere schaal van deze collectie zou het een groot onrecht zijn om deze af te schrijven als ‘kleine’ werken. Nog steeds staan musici en theoretici te kijken van Brahms’ signatuur, de ontwikkelende variatie, die doorheen alle delen sijpelt. Deze compositietechniek, u wellicht bekend uit Beethovens 5e Symfonie, is een staaltje compositorische vakkundigheid: niet een hele melodie maar de kleine motieven daarbinnen worden geïsoleerd en ontwikkeld. Zodoende is de muzikale textuur en de benodigde techniek om deze organisch te laten verlopen bewijs genoeg om deze ‘mini’-werken met groot respect te behandelen. De componist toont de luisteraar alle hoeken van zijn muzikale ziel: rusteloosheid, vreugde, passie en depressie. Daarbij is het laatste deel, de Capriccio in C groot, een technisch hoogstandje voor de uitvoerder: een notoir werk vanwege de immer golvende figuur die het werk tot een extatische climax brengt.

    Programma:

  • SchumannPapillons op. 2
  • Johannes BrahmsAcht Klavierstücke, op. 76
  • SchubertSonate A-Dur, op. posth. D 959

Bron: Ali Schafler

Download het programmaboekje